Het is mooi geweest. Ik houd ermee op. De discussie moet maar op andere plekken worden voortgezet. Ik ben niet voor een weblog in de wieg gelegd. Bovendien lijkt het een zinloze missie.
Gisteravond zat ik tijdens Poetry International samen met Hager Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens in een debat van de Poxebzieclub onder leiding van Ron Rijghard. Peeters schreef recent over de onderwaardering van vrouwen in de poxebzie, Harmens over het effectbejag bij poetry slams, ik schreef over de vraag of poxebzie ertoe doet en Pfeijffer heeft ook zo zijn ideexebn. Kortom, er zaten te veel verschillende personen aan tafel. Het gesprek zwabberde alle kanten uit. Het werd nergens concreet.
Pfeijffer en Harmens hielden vol dat het in de poxebzie alleen maar om de stijl gaat. De inhoud was onbelangrijk, als het er maar goed stond. Pfeijffer zocht zijn heil in een analogie met de schilderkunst: een stilleven van drie appels op een schaaltje kan je alleen maar omver blazen als het geweldig is geschilderd.
Op mijn vraag wanneer hij voor het laatst omver geblazen is door een schilderij van drie appels op een schaaltje, kwam geen antwoord. Waarom hij het nou zo belangrijk vindt dat dichters valse dingen schrijven hoewel het alleen om de stijl gaat, kon hij ook niet verklaren. Het was stijl voor, stijl na. Er leek wel een soort angst voor de inhoud achter te zitten.
Harmens heeft onlangs een nieuwe dichtbundel uitgebracht die voor een deel over het autisme van zijn zoon gaat. Hij was blij dat ze in recensies alleen over de stijl spraken, en niet over zijn zoon. “Ik liep in polonaise door de kamer”, zei hij.
Ik zei: “Het is toch geen toeval dat je over je zoon schrijft?” Maar daar wilde hij niets van horen. Het leek een gevoelig onderwerp. Ik wilde uitleggen dat je in recensies niet over de werkelijke zoon hoeft te spreken om toch de inhoud waar te nemen. Er staan heel gevoelige dingen in zijn bundel die niet alleen mooi zijn opgeschreven, maar ook scherp waargenomen of sterk inlevend zijn. Maar het lukte me niet om dat uit te leggen.
Harmens en Pfeijffer bleven een gedicht als een gesloten systeem zien: doet er niet toe wat er in dat systeem zit, als het maar goed in elkaar steekt. Ze schoven mij soms het omgekeerde in de schoenen: een slecht geschreven gedicht kan niet gered worden door zijn inhoud. Alsof ik dat ooit zou zeggen. Het was om wanhopig van te worden.
In de discussie viel Peeters mij bij. Zij vond ook dat inhoud niet onbelangrijk was. Maar tot overmaat van ramp werd opeens Anna Enquist als voorbeeld aangedragen van een dichteres die over inhoudelijke zaken schrijft – en het leek net alsof ik dat soort poxebzie verdedigde.
Ondertussen nam ik mezelf kwalijk dat ik het debat niet beter had voorbereid. Ik had zien aankomen dat het een beetje stuurloos zou worden. Maar ik dacht: ik ken mijn essay, ik ken mijn overtuigingen, ik ken de overtuigingen van de anderen, wat kan me gebeuren?
Geen van de deelnemers aan de discussie was er achteraf tevreden over. Twee mensen zijn weggelopen uit de zaal. Er waren na afloop geen vragen meer uit het publiek.
Om kort te gaan, ik houd ermee op. Ik moet het maar gewoon in de praktijk brengen. Ik moet tonen wat voor stukken ik over poxebzie zou willen lezen door ze zelf te schrijven.